I.
Het einde van een zeer goed ontvangen toespraak – Introductie van doctor Fergusson – “Excelsior” – Omschrijving van de doctor – Een overtuigd fatalist – Diner in de Club van Ontdekkingsreizigers – Talloze toosten.
Op 14 januari 1862 was het opvallend druk bij de vergadering van de Koninklijke Geografische Vereniging op Waterloo Place nr. 3 te Londen. De president van de vereniging, sir Francis Maris, deed een belangrijke mededeling aan zijn leden in een toespraak die door luid applaus vaak werd onderbroken.
Zijn zeldzame uiting van eloquentie eindigde met grote overdrijvingen, waaruit andermaal zijn vaderlandsleifde ten volle bleek.

“Hoera! Hoera!” riep de vergadering eensgezind, duidelijk geenthousiasmeerd door deze toespraak. “Hoera voor de onverschrokken Fergusson!” riep een toeschouwer uitbundig.
Kreten van verrukking klonken door de zaal. De naam Fergusson lag op ieders lippen en wij hebben reden om te geloven dat juist dit ontvangst door de Engelsen zijn blijdschap won.
De Engelsen hadden veel vergrijsde, vermoeide en overschrokken ontdekkingsreizigers voortgebracht, die de gehele wereld hadden doorkruist! Zij waren ontsnapt aan schipbreuken, branden of de tomahawks van de Indianen, de knodsen van wilden, de strafpaal en de buiken van kannibalen, maar geen van dit al kon hun harten bedwingen tijdens de toespraak van president Maris. En naar men weet was dit de beste ontvangst ooit van een toespraak van de Koninklijke Geografische Vereniging van Londen.
Maar in Engeland wordt de opwinding niet alleen geuit in woorden. Er werd meteen gestemd over een tegemoetkoming voor Dr. Fergusson, ter waarde van 2500 pond sterling. De omvang van het bedrag stond gelijk aan de omvang van het project.
Een lid van de groep vroeg de voorzitter om het woord, om te informeren of Dr. Fergusson officieel voorgesteld zou worden.
“Dr. Fergusson staat tot uw beschikking,” antwoordde Sir Francis Maris.
“Laat hem binnenkomen,” riepen ze, “laat hem binnenkomen! Het is goed om zo’n buitengewoon moedig man te zien!”
“Misschien was dit ongelooflijke voorstel bedoeld om ons te misleiden,” zei een oude commodore.
“En als Dr. Fergusson niet echt bestaat?” riep een andere stem.
“Dan moeten we hem vinden,” antwoordde een lid van deze deftige groep lachend.
“Laten we Dr. Fergusson binnenlaten,” zei Sir Francis Maris.
Dr. Fergusson trad binnen te midden van luid applaus, onverstoorbaar.
Hij was een man van ongeveer veertig jaar, van gemiddelde gestalte; zijn gezonde uiterlijk was te zien aan zijn rode gezicht; zijn gezicht had regelmatige trekken, met een neus die leek op de boeg van een schip, vaak genoemd als typisch voor mensen die voorbestemd zijn voor ontdekkingen; zijn zachte, eerder verstandige dan moedige ogen voegden charme toe aan zijn gezicht; zijn armen waren lang en hij zette zijn voeten neer met de elegantie van een ervaren hardloper.
Die serene elegantie straalde door de hele persoonlijkheid van de dokter, en niemand kwam op het idee ook maar enige twijfel te koesteren over zijn integriteit als mogelijk instrument van onschuldige misleiding.
Zelfs toen de toejuichingen eindelijk verstomden, verzocht Dr. Fergusson met een licht gebaar om stilte. Hij liep naar de fauteuil die voor zijn presentatie was klaargezet, stond daar rechtop en hief zijn rechterwijsvinger omhoog, opende zijn mond en sprak slechts één woord: “Excelsior!”
Nooit had een voorstel van Lord Palmerston voor fondsen om de Engelse rotsen te verdedigen zo’n positief resultaat gehad. De toespraak van Sir Francis Maris werd overtroffen. De dokter toonde zich verheven, groots en nobel tegelijk.
De oude commodore, volledig verzoend met deze eigenaardige man, verzocht om de “volledige” publicatie van Dr. Fergusson’s toespraak in “de Bulletins van het Royal Geographic Society of London.”
Maar wie was deze dokter eigenlijk, en welk avontuur stond hem te wachten?
De vader van de jonge Fergusson, een dappere kapitein ter zee, had zijn zoon van jongs af aan laten delen in de gevaren en avonturen van zijn beroep. Deze opmerkelijke jongeman, die nooit leek te kennen wat angst was, toonde al op jonge leeftijd een levendige geest, een hang naar onderzoek en een opmerkelijke aanleg voor wetenschap. Bovendien liet hij een grote handigheid zien in het vinden van oplossingen voor problemen; hij was nergens door verlegen, zelfs niet bij het gebruik van zijn eerste vork, iets waar kinderen over het algemeen zelden in slagen.
Zijn verbeelding werd al snel aangewakkerd door de gedurfde avonturen en zee-expedities die hij las; hij volgde aandachtig de ontdekkingen in het begin van de negentiende eeuw en droomde van de roem van ontdekkingsreizigers als Mungo Park, Bruce, Gaillié, Levaillant, en zelfs, geloof ik, van die van Selkirk, de Robinson Crusoe, die voor hem niet minder leek te zijn. Hoeveel uren bracht hij door met hem op zijn eiland Juan Fernández! Hij keurde vaak de ideeën van de eenzame zeeman goed, soms redeneerde hij over zijn plannen en ontwerpen; hij zou anders misschien minstens even goed gehandeld hebben! Maar één ding is zeker, hij zou dat gelukzalige eiland nooit verlaten hebben, waar hij gelukkig was als een koning zonder onderdanen…, zelfs niet als hij eerste Lord van de Admiraliteit had kunnen worden.
Je kunt je voorstellen hoe deze aanleg zich ontwikkelde gedurende zijn avontuurlijke jeugd, terwijl hij heen en weer geslingerd werd naar alle uithoeken van de wereld. Zijn vader, een geleerd man, versterkte dit levendige intellect door serieuze studies in natuurkunde en werktuigbouwkunde, samen met een beetje plantkunde, geneeskunde en sterrenkunde.
Toen de waardige kapitein stierf, was Samuel Fergusson, tweeëntwintig jaar oud, al de wereld rondgereisd; hij trad toe tot het Bengaalse ingenieurskorps en onderscheidde zich bij verschillende gelegenheden, maar het soldatenleven beviel hem niet; hij hield er niet van om bevelen te geven, en wilde evenmin graag gehoorzamen. Hij nam ontslag en trok vervolgens, nu eens jagend, dan weer op zoek naar planten, naar het noorden van het Indiase schiereiland, en doorkruiste het van Calcutta tot Surat.
Van Surat reisde hij naar Australië en nam hij in 1845 deel aan de expeditie van kapitein Sturt, belast met het verkennen van de mysterieuze Kaspische Zee, die men veronderstelde te bestaan in het midden van Nieuw-Holland.
Samuel Fergusson keerde rond 1850 terug naar Engeland, meer dan ooit gedreven door zijn passie voor ontdekkingen. Hij vergezelde kapitein MacClure in 1853 op zijn reis van Amerika door de Beringstraat naar Kaap Farewell.
Ondanks allerlei ontberingen genoot Fergusson een uitstekende gezondheid tijdens zijn reizen van allerlei aard en onder alle weersomstandigheden; hij was het toonbeeld van een perfecte reiziger, wiens maag zich uitstrekte of samentrok naar believen, wiens benen langer of korter werden, afhankelijk van de rustplaats waarop hij lag, die op elk uur van de nacht kon inslapen en ontwaken.
Sindsdien was het niet minder opmerkelijk om onze onvermoeibare reiziger te vinden op zijn tocht door het westen van Tibet, in het gezelschap van de gebroeders Schlagintweit, van 1855 tot 1857, wat leidde tot opmerkelijke bevindingen op het gebied van volkenkunde.
Tijdens deze verschillende reizen was Samuel Fergusson de meest actieve en prominente correspondent van de “Daily Telegraph,” een goedkope krant waarvan dagelijks 140.000 exemplaren worden gedrukt, die nauwelijks voldoende zijn voor de vele miljoenen lezers. Men kende deze dokter goed, ook al was hij geen lid van enige wetenschappelijke instelling, noch van de Koninklijke Geografische Verenigingen van London, Parijs, Berlijn, Wenen of St. Petersburg, noch van de Travelers Club, zelfs niet van het Koninklijk Polytechnisch Instituut, waar zijn vriend, de geleerde Kokburn, een ereplaats innam.
Deze laatste stelde hem eens voor om het volgende vraagstuk op te lossen: Als we het aantal mijlen tellen dat de dokter heeft afgelegd, hoeveel verder heeft zijn hoofd gereisd dan zijn voeten, door het verschil in stralen? Of anders gezegd: Als we het aantal mijlen dat zowel door de voeten als het hoofd van de dokter is afgelegd, kennen, hoe kunnen we dan zijn exacte lengte berekenen?
Maar Fergusson hield altijd afstand van de geleerde genootschappen, omdat hij geen fan was van praten; hij vond dat tijd beter besteed kon worden aan zoeken en ontdekken dan aan redeneren.
De dokter ontving de toejuichingen van het publiek met kalmte; hij was boven alle hoogmoed verheven, omdat hij geen greintje ijdelheid bezat; hij beschouwde het voorstel dat hij aan president Sir Francis Maris had gedaan als volstrekt natuurlijk en merkte niet eens op welke indruk het maakte.
Na de zitting werd de dokter naar de Travelers Club in Pall Mall gebracht, waar een prachtig banket ter ere van hem was georganiseerd. De omvang van de gerechten was in verhouding tot de belangrijkheid van de persoon, en de steur die op tafel stond was niet minder dan drie duim korter dan Samuel Fergusson zelf.
Er werden vele toasts uitgebracht op de ontdekkingsreizigers die beroemd waren geworden door hun tochten in Afrika, en ook op Samuel Fergusson, die met zijn ongelofelijke inspanningen de onderzoekingen van de reizigers met elkaar verbond en de reeks ontdekkingen in Afrika compleet maakte.
